Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
4
DE SAGE IN DEN MOLEN.

en verzocht hem de vischkorf te brengen, die ik had neergezet, en mij te volgen over ’t vlot, welks gladde balken in ’t water schommelden en bij elken stap, dien ik deed, onderdoken.

Bij den eenen haard in den molen zat een oud man met een grijzen baard; eene roode muts had hij tot over de ooren getrokken. De schaduw van den schoorsteen had mij in ’t eerst belet hem te zien. Toen hij hoorde, dat ik een ommezien wenschte uit te rusten en mij te warmen, maakte hij schielijk van een knoestig stuk hout eene zitplaats bij ’t vuur.

»Dat is een kostelijke visch," zei de oude, terwijl hij de laatste forel, die ik had gevangen in de hand nam, »en dat is een haakvisch; die weegt stellig anderhalf pond. Gij hebt hem vast in den vijver hier gevangen?"

Op mijn bevestigend antwoord begon de man, een aartsliefhebber van visschen naar ’t scheen, te verhalen van de groote forellen, die hij dertig jaar geleden in den omtrek had gevangen, en slaakte daarbij—niet minder dan Sir Humphry Davy in zijne Salmonia—de hartroerendste klachten over ’t afnemen der visch en ’t toenemen van het zaagsel in de rivieren.

»De visch gaat weg," zei hij met eene stem, die boven al ’t gedruisch uit klonk; »’t gebeurt nu zelden dat men zulk eene goudhaak als deze vangt, maar ’t zaagsel neemt van jaar tot jaar toe. ’t Is dan ook geen wonder, dat de visschen de rivier verlaten, want doen zij de kieuwen open om eene teug zuiver water naar binnen te halen, dan krijgen ze den heelen kop vol zaagsel en splinters. Dat vervloekte zaagsel!—God vergeve me de zonde—de zaag geeft ons brood, mij en mijn gezin; maar ik ben mij zelf niet langer meester, als