Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/19

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

5

DE SAGE IN DEN MOLEN

ik denk aan de prachtige visschen, die ik voor jaren heb gevangen."

Intusschen was de knaap met mijn vischkorf binnen gekomen; hij scheen kwalijk te moede bij al ’t geraas en gedruisch, dat in den zaagmolen heerschte. Voorzichtig liep hij over de losse vloerplanken, en op zijn gelaat las men duidelijk angst en vrees voor ’t bruisen van het water op en tusschen de raderen onder zijne voeten.

»’t Is niet alles hier te zijn; ik wou dat ik goed en wel thuis was," zeide hij.

»Hoor je hier niet thuis?" vroeg ik.

»Wie ben je, waar kom-je vandaan?" vroeg de oude man.

»Ik kom van Gamleby, en ik ben te Brække geweest met een’ brief voor den schout; maar ik ben zoo bang in donker alleen te gaan," antwoordde de knaap, die zich den heelen tijd dicht in mijne nabijheid hield.

»Schaam je wat, groote jongen, voor zoo iets bang te zijn," zei de oude, maar voegde er troostend bij: »zoo aanstonds komt de maan op, en de knecht kan wel met je meegaan."

Ik beloofde den vreesachtigen knaap hem tot de Beierbrug te brengen, en dit scheen hem eenigermate gerust te stellen. Ondertusschen hield het malen op en twee der knechts gingen de zagen vijlen, een arbeid, die van zulk een krassend geluid verzeld gaat, dat ’t iemand door merg en been dringt en des nachts, boven ’t bruisen van den waterval uit, niet zelden tot in de naaste stad weerklinkt. ’t Scheen, dat dit geraas de zenuwen van den knaap nog onaangenamer aandeed.

»Hé, ’k zou voor nog zoo veel hier geen nacht willen doorbrengen," zeide hij en staarde om zich heen, of hij aanstonds uit elken hoek van den molen een’ nikker zou zien oprijzen.