Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/199

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
185
OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

doe ik het niet," verzekerde Per nogmaals en begon:

»Ten zuiden van den Hollei-top—ze noemen 't tegenwoordig Holleia, tussenen Tyristrand en het Sognedal," merkte hij op tot onderricht voor mij—»zijn er twee bergspitsen, de Groote Spits en de Kleine Spits; hier, waar ge zit, kunt ge nog even den hoogsten top om het bosch heen zien. En daar zit zooveel goud en zilver in die bergen, dat er geen eind aan komt, zooals men zegt. Maar niemand durft er aankomen, want er huist een oud bergwijf in. Alle schatten zijn haar eigendom en zij bewaakt ze als een draak, zeggen de lui. Nog veel rijker is zij dan de koning van den Kongsberg; want eens, toen er heel veel zilver uit den Kongsberg was gehaald, kwam de koning naar buiten en zei tegen de gravers:

»Neen, nu kan ik jelui niet langer beneden dulden, want als je zoo voortgaat, houd ik niets over. Je plundert me geheel uit. Gaat nu maar naar mijne zuster, Guri Knutan in Holleia, die is tienmaal rijker dan ik."

» Dus is Guri Knutan ook de zuster van den Egeberg koning," merkte ik op.

»Den Egeberg-koning? Wat is dat voor een? Is die misschien uit Christiania?" vroeg Per.

Ik vertelde hem nu de sage omtrent den koning van den Egeberg en zijn' uittocht in 1814.

»Ja, zoo; ja, die was dan een broer van 't wijf, daar ik van sprak," zei Per trouwhartig.

»Ik heb ook wel hooren vertellen van een'," ging hij voort, »die zijne bergwoning verliet, omdat hij het schieten en geraas niet kon uitstaan. Maar die hoorde in dezen omtrek thuis. Of dat nu de man van deze Guri was of een ander, dat weet ik niet, maar 't moet ook een van de lui zijn geweest, die in de bergen hui-