Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/202

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
188
OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

slechts haar' vriendelijk schijnsel op de toppen der bergen en boomen in 't verschiet; tusschen de sparren heerschte een geheimzinnig half-donker, dat de schaduwen tot in 't oneindige verlengde, allerlei fantastische vormen schiep tusschen de stammen, en het bosch dubbel verlaten, eenzaam en huiveringwekkend deed zijn.

Alleen het roodborstje brak met zijne zachte tonen de doodsche stilte des wouds.

»Daar zingt de vogel, die 's morgens 't eerst ontwaakt," zeide Per. »Nu zal 't niet lang meer duren, of er komt leven in het bosch; we mogen ons wel wat haasten."

»We hebben nog tijds genoeg, beste Per," sprak de kapitein; »het bosschhoen paart het liefst op de hoogten tusschen ons en het Löndal-moeras, en ik denk, dat er niet veel van 't minnespel zal komen; het is te koud."

»Straks wordt het zachter," antwoordde Per op stelligen toon. »De wind loopt zuidelijk en 't paren zal te drokker gaan, naarmate de vorige nachten kouder zijn geweest. We krijgen nog een' heerlijken zonneschijn. Hoor maar, hoe vroolijk de houtsnip kweelt! Zij verwacht mooi weer. En daar hoor ik de watersnip. Ja, wis wordt het goed weer," besloot hij op den toon der overtuiging.

Wij vernamen nu het eigenaardig geluid der houtsnip, niet ongelijk aan 't herhaald gekwaak van een' kikvorsch, gevolgd door een scherp, snijdend gefluit, en zagen bij de zwakke stralen der ondergaande maan de eene schaduw na de andere over de boomtoppen glijden. Wij hoorden het onaangenaam geblaat van de watersnip of het bokje, nu eens nabij, dan weer ver weg, nu eens hoog in de lucht, dan weder vlak boven ons,