Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/203

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
189
OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

nu plotseling, naar 't scheen, aan ons oor, dan van allen kant, zonder dat we den vogel zelf echter in 't oog konden krijgen. Op eens overstemde de wilde, doordringende kreet van den reiger alle andere vogelen. 't Was of een schrik allen beving, want eensklaps zwegen ze en de plotselinge stilte deed ons zijn geschreeuw nog onaangenamer in de ooren klinken. Daar hief de leeuwerik zijn helder, vroolijk morgenlied aan, dat in den nachtelijken schemer aan 't rijzende daglicht deed denken en een blij contrast vormde met de spookachtige vlucht en 't krijschend geluid der nachtvogels.

»Daar luidt reeds de klok voor de boschhoenders," sprak de kapitein; »als de leeuwerik zijn lied aanheft, begint de boschhaan zijn' morgenpsalm te zingen op den tak. Laat ons hier nu een weinig toeven; we zijn niet ver meer van de vogels, die gisteren 't laatst zijn aangekomen. Als we dichterbij kwamen, zouden wij ze licht verjagen."

Nadat er luttel minuten waren verloopen, hoorden wij een' vogel op een paar honderd schreden van ons af.

»'t Zou me verwonderen, als dat niet de kerel was, waar 'k van sprak," zeide Per. »Stellig zal hij boeten; de oude pleegt niet kort van memorie te zijn."

De kapitein liet mij de keus, of ik naar den kant wilde gaan vanwaar wij 't geluid hoorden, of meer noordop, waar hij onderstelde, dat jonge vogels genesteld waren. Ik koos het eerste. De kapitein trok noordwaarts. Per en ik slopen zachtkens in de richting, waar wij 't geluid hadden vernomen, en zochten met de uiterste behoedzaamheid de sneeuw en de krakende takken te vermijden. Toen wij voor 't eerst weer het eigenaardig geslijp hoorden, hielden we ons een ommezien stil, maar onder elk volgend slijpen, onmiddellijk