Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/205

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
191
OP DE VOGELJACHT IN HOLLEIA.

»We trokken een eindweegs in de voorgenomen richting, voorbij een' reusachtigen steen, dien Per Mjölne-Ragnhild noemde, langs den zuidelijken zoom van 't Löndal-moeras. Doch we hoorden geen' enkelen vogel. Per Sandaker begreep volstrekt niet, waar ze mochten gestoven zijn, maar kwam eindelijk op het vermoeden, dat het gevecht van den oude met het vreemde hoen ze alle had verjaagd. Reeds begon 't te dagen, toen wij een schot hoorden in het noorden op den Sandtjaernberg, waar Per vertelde, dat de kapitein en hij hun aas plachten neer te leggen, wanneer ze op de berenjacht waren en vanwaar men spoedig 's mans saeter en zijne woonplaats in 't Sognedal kon bereiken. Een oogenblik later hoorden wij een tweede schot, dat, naar Per verzekerde, evenals het vorige uit de buks van den kapitein kwam. Terwijl wij over 't moerasland naar de aangewezen spar gingen, waarheen Per mij met tegenzin volgde, kon hij niet langer zijne ergernis over onze ongelukkige jacht verkroppen, maar mompelde bij zich zelven: »Alles kruit verspillen — neen, neen — de kapitein — dat 's eerst een kerel — hij heeft er al een — twee misschien — Sara-Anders was het niet — neen, stellig kwam 't van den kapitein."

»Troost je, Per," sprak ik. »Als 't ons eens lukte, den oude te schieten? Die is meer waard dan alle andere te zamen."

»Dan moest ge een duizendkunstenaar zijn," antwoordde Per. »Maar hij is te slim en geen kruit kan hem deren, geloof mij."

Toen wij, het bevroren moeras over, den heuvel hadden beklommen, deed ik, met 't oog op de moeite, die 't kon inhebben, den vogel te treffen, wanneer hij naar alle waarschijnlijkheid zich in den top der spar neder-