Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/21

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
7
DE SAGE IN DEN MOLEN.

Of de man hem, zooals men hier en daar pleegt te doen, geboterd brood en gerstebier gaf, om te maken dat zijn meel vermeerderde, weet ik niet, maar ’t is niet waarschijnlijk, want telkens, als hij malen moest, greep de molengeest den spilbalk vast en deed den molen stil staan. Onze man begreep weldra, vanwaar dit kwam, en op zekeren avond, dat hij aan ’t werk moest, nam hij een’ ijzeren pot vol pek en teer met zich en lei daaronder vuur aan. Toen hij ’t water over den wielbalk leidde, raakte deze een oogenblik in beweging, maar spoedig stond hij stil, zooals te verwachten was. De molenaar stak en sloeg naar den geest in de goot en rondom den balk, maar te vergeefs. Eindelijk opende hij de deur, die naar de goot en den wielbalk leidde, en daar stond de molengeest midden in de deur en gaapte hem aan met een’ mond, zoo wijd, dat de onderkaak den drempel aanraakte en de bovenkaak aan den zolder reikte.

»Hebt gij ooit zulk gapen gezien?" zei de geest.

De man vloog op den pekpot toe, wierp hem den inhoud in den mond en zeide: »Hebt gij ooit zoo iets kokend heets geproefd?"

Toen liet de geest den balk los en stiet een vreeselijk gebrul uit. En sedert heeft men hem daar gehoord noch gezien, en nooit heeft hij de lui belet te malen.

»Ja," zeide de knaap, die met eene mengeling van angst en nieuwsgierigheid mijne vertelling had gevolgd, »dat heb ik ook hooren vertellen door mijne grootmoeder, en zij vertelde nog eene andere historie van een’ molen.

Dat gebeurde een heel eind hier van daan en niemand kon daar zijn koren gemalen krijgen, omdat ’t er vol was van hekserij. Maar nu woonde er ook eene