Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/210

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


 

EENE TOOVERHEKS.

 

 

Een eind van den straatweg, midden in het Gudbrandsdal, lag voor eenige jaren op eene hoogte eene hut. Misschien ligt zij er nog. 't Was een zachte Aprildag; de sneeuw begon te smelten; de beken stroomden bruisend door de dalen; de velden werden zichtbaar; de lijsters sprongen van den eenen tak op den ander; alle bosschen waren vol van het gekweel der vogels: kortom, alles gaf hoop op eene voorspoedige lente. In den reusachtigen beuk en de hooge sorbeboomen, wier naakte takken zich boven 't dak der hut uitstrekken, hadden eenige meezen het verbazend druk, en een beukvink zat in den top van den beuk uit volle borst te zingen. Maar binnen in de berookte hut zag het er somber en armoedig uit. Eene boerin van middelbaren leeftijd, die er zeer gewoon en dom uitzag, was bezig het vuur aan te blazen, dat bestond uit eenige takken en ruwe stukken brandhout, die onder den koffiepot op den haard lagen opgestapeld. Toen haar dit zoo goed als gelukt was, stond zij op, wreef zich de rook en asch uit de oogen en sprak:

»De lui zeggen, dat lood smelten niet baat, want het kind, zeggen ze, heeft de engelsche ziekte niet; het