Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/224

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd


TER ZEE.


I.


DE AALSCHOLVERS VAN UDRÖST.




Op de thuisreis gebeurt het niet zelden den Nordlandschen visschers, dat zij tarwestroo vinden aan het roer of gerstekorrels in de maag der visschen. Dan heet het, dat zij over Udröst zijn heengevaren of over een ander der Hulderlanden, waarvan de sage weet te verhalen. Deze onderzeesche streken vertoonen zich enkel aan vrome of profetische visschers, die op zee zich in levensgevaar bevinden, en zij duiken op, waar anders volstrekt geen land te zien is. De aardgeesten, die daar wonen, beoefenen akkerbouw en veeteelt als andere menschen; maar hier schijnt de zon over heerlijker grasvelden en vruchtbaarder akkers dan ergens elders in Nordland, en gelukkig hij, die een dezer eilanden, door den rijksten zomerglans beschenen, te zien krijgt; »hij is geborgen", zeggen de Nordlanders. Een oud liedje bevat eene volledige schilderij van een eiland, in de nabijheid van Helgoland, »het Zand" geheeten, met visch-