Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/233

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
219
DE NIKKERS OP HET »ZAND".

kolai sprak niet veel onder de vaart, maar hij dacht zooveel te meer. De avond was reeds gevallen, toen zij voor de terugreis gereed waren.

»Wil ik je 'reis wat zeggen, Luk-Andries: 't wordt noodweer van avond," sprak Hans Nikolai, terwijl hij zeewaarts tuurde; »ik meen, dat we best zullen doen, hier te blijven tot morgen."

»Noodweer wordt het niet;" antwoordde Andries, »want de zeven zusters hebben de stormmutsen niet op. 't Zal wel gaan."

Maar nu begon de ander te klagen over vermoeidheid, en eindelijk werden zij 't eens, dat zij den nacht daar zouden overblijven.

Toen Andries ontwaakte, was hij alleen; noch zijn broeder, noch de boot waren ergens te zien; eerst toen hij den top van het eiland had beklommen, bespeurde hij beide heel ver weg; de boot scheen niet grooter dan eene meeuw. Luk-Andries begreep er niets van. De proviandkist was achtergelaten; daarnaast stonden een vat met zure melk, de buks en eenige andere dingen. Andries bekommerde zich niet lang over 't geval. »Van avond zal hij wel terug komen," dacht hij en maakte de proviandkist open; »een dwaas, die den moed laat zakken, zoo lang hij nog wat te bikken heeft." Maar de avond kwam en Hans bleef weg, en Luk-Andries wachtte vergeefs dag aan dag en week aan week. Eindelijk begon hij te vermoeden, dat Hans hem opzettelijk had achtergelaten, om zich zijn erfdeel te kunnen toeëigenen. En zoo was 't; want toen Hans Nikolai dicht bij huis was gekomen, wist hij 't zoo aan te leggen, dat de boot omsloeg, en hij vertelde nu, dat Luk-Andries verdronken was.

Maar Andries liet den moed niet zinken; hij zamelde