Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/235

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
221
DE NIKKERS OP HET »ZAND".

ze droeg eene kroon op het hoofd en had de kostelijkste kleederen aan. Maar één ding zag Andries duidelijk: dat zij een mensch was; want zij was veel grooter en ook veel mooier dan de nikkers; ja, Luk-Andries vond haar mooier dan alle meisjes, die hij van zijn leven had gezien. ’t Jacht zeilde regelrecht op de plek af, waar Andries stond; maar zonder zich lang te bedenken, liep hij naar de hut, rukte het geweer van den wand, kroop boven in het drooghuis, en wist zich hier zoo te verschuilen, dat niemand hem kon bemerken, terwijl hij alles kon waarnemen, wat er voorviel. Weldra was het gansche vertrek gevuld; maar de stroom van bezoekers ging nog altijd voort. Nu begonnen de wanden te kraken, en de hut zette zich uit, en alles begon er van binnen zóó prachtig uit te zien, of men bij den rijksten koopman in huis komt; ’t was er haast zoo mooi, als in het slot van een’ koning. Daar werden tafels aangericht met de kostelijkste spijzen, en borden en schotels, alles was van louter zilver of goud. Na het eten ging men dansen. Toen kroop Luk-Andries door het rookgat, aan den eenen kant van ’t dak, naar buiten en klauterde omlaag. Daarop snelde hij naar ’t jacht, wierp zijn vuurstaal er overheen en sneed er, tot meerdere zekerheid, met zijn zakmes een kruis in. Toen hij terugkeerde, was de dans in vollen gang: zelfs de tafels dansten, en de banken en de stoelen en al wat er in het vertrek was, danste mee. De eenige, die niet danste, was de bruid; zij zat stil rond te kijken, en wanneer de bruidegom haar in den kring wilde voeren, stiet ze hem van zich. Maar overigens ontbrak er niets; de speelman hield niet op, om den vedel te stemmen of zoo iets, maar speelde onafgebroken voort en trapte de maat met den voet, tot het zweet hem langs het gelaat gudste en hij door stof