Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/41

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

27

EEN NACHT IN NORDMARKEN.

neer hij van de stad terugkeert, zijn zijne schreden wankelend en is zijn hoofd zwaar, en schoon zijne woning niet ver is — de kleine hut op een’ heuvel ter linkerzijde van den weg, even voor men aan de Skjærvenbrug in ’t Mariadal komt — gebeurt het maar al te dikwijls, dat hij aan den kant van den weg zijne slaapstee vindt.

»Welkom, mannen!" zei ik.

»Goên avond," was ’t bescheid van beiden, terwijl zij op de hengelroê leunden.

»Goên avond, Elias; moeten we elkaar al weer hier vinden?"

Ja, ’t gaat met mij als met eene donderwolk," zeide Elias, »men vindt mij altijd, waar ik ’t minst verwacht word."

»Denkt ge hier van nacht te visschen?" vroeg ik.

»Wij meenen het ten minste te probeeren," zei Elias, »’t is nog wel wat vroeg in ’t jaar, maar als er regen en wind komt, kan ’t licht meeloopen.

»Ja, dat denk ik ook, Elias."

»Hebt ge eene goede vangst gehad in de rivier?" vroeg Elias met een’ nieuwsgierigen blik op mijne vischkorf.

»Och, ik heb wel wat gevangen, maar er is niet veel bij, dat meer dan twee marken weegt," zei ik en opende het deksel.

»Er is meer dan anderhalf pond; kijk, dat is een prachtig stuk, en die ook... drommels, ’t zijn mooie visschen," zei Elias.

»Vischt hij met vliegen?" vroeg de ander.

»Jij raadt het," zei Elias, terwijl hij te vergeefs een paar malen zijne hengelroê uitwierp: »jij raadt het; ik heb naast hem gestaan aan de Hakklo en kreeg niet