Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/42

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
28
EEN NACHT IN NORDMARKEN.

eens tuk, terwijl hij met een halfpond ging strijken, en dat schielijk ook."

Ik vroeg, waar zijn kameraad vandaan was en vernam, dat hij zich des zomers op de bergen van Hadeland ophield. Hij moest nu naar stad om zout te koopen; maar hij zou ook graag wat brandewijn en tabak willen opdoen, en daartoe trachtte hij zich de middelen te verschaffen door de vischvangst.

Tegen ’t invallen der duisternis brak ’t onweder los; het donderde en bliksemde in de verte; de donkere wolkenmassa’s breidden zich steeds verder uit, hare omtrekken werden telkens minder scherp, en eindelijk hingen de regenwolken als een grijs gordijn boven de bergen.

Vóór onweer en regen uit streek een frissche wind over ’t water. Nu was ’t de rechte tijd om te visschen. Enkele groote visschen hapten toe en werden nu en dan gevangen, maar meestal schoten ze ’t aas voorbij.

»Zij hebben nog den rechten zin niet om toe te bijten, daarom is het zoo dikwijls mis," zeide Elias, terwijl hij bezig was een visch op ’t droge te trekken.

Bij de eerste regendroppelen sprongen de visschen slag op slag naar het aas; maar toen de bui terdege los brak en ’t aanving te hagelen en te stortregenen, was ’t geheel voorbij.

»Morgen zullen we ’t misschien beter treffen," zei de Hadelander.

»Wat dunkt je van ’t weer," zei ik na eenige oogenblikken. »Boven de bergen klaart het op."

»Als de lucht daar helder wordt, komt er nog meer regen; maar ’t kan wel een’ enkelen dag droog blijven," antwoordde de Hadelander. »Luister maar, die kerel ziet ook naar regen uit," voegde hij er bij, toen in