Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/44

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
30
EEN NACHT IN NORDMARKEN.

»Maar zelden, dat ik niets ving; iets kreeg ik altijd," antwoordde hij. »’t Is waar, éénmaal was ik bijna platzak thuis gekomen, maar toch liep ’t nog goed af. Dit ging zoo verwonderlijk toe, dat ik er nooit iets van heb begrepen. Zóó ben ik nooit weer uit visschen geweest."

»Wat gebeurde er dan?" vroeg ik.

» Vertel ons dat, Elias," zei de Hadelander; »je kunt voor ’t oogenblik niets beters doen."

»Dat geloof ik ook," zei Elias.

»’t Was in 1806. Ik lag destijds in Christiania, maar de orders waren zoo streng, dat geen matroos langer dan één’ dag verlof kon krijgen en niet verder mocht gaan dan eene halve mijl van de stad, of hij moest het kapitein Larsen melden. Ik zette mij in ’t hoofd in Nordmarken te gaan visschen, ik meldde mij aan en sneed uit met wat teerkost in den eenen en eene flesch brandewijn in den anderen zak. ’t Ging slecht. In de Björnsjö-rivier kreeg ik geen enkele maal tuk. Toen ik bij den dam kwam, lag daar eene boot; ik roeide er mee naar Smalström, maar ook daar was geen enkele visch te zien. Zoo toog ’k noordwaarts naar de Hakklo.

Onderweg ontmoette ik Per Piber, een van de beste visschers hier destijds. »Je hoeft niet verder te gaan, Elias," zei hij , »ik ben noordop naar de Katnose geweest, maar heb haast geen graatje gevangen. Kijk maar hier," zei hij en haalde zijn’ korf voor den dag. Daar zullen misschien een dozijn kleine dingen in geweest zijn, zoo lang als mijn vinger.

» Kom ik over den hond, zoo kom ik over den staart, beste Per," hernam ik en schonk hem een paar borrels. Ja, God beware me, ik nam er zelf ook een. »’t Mocht gebeuren, dat ze bij mij toehapten, al deden ze ’t niet bij jou," voegde ik er bij.