Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/52

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
38
EEN NACHT IN NORDMARKEN.

beschutte plek aan de berghelling. Maar nauwelijks zijn ze daar ingeslapen, of zij hooren ’t gekrijt van een wicht. Mijn oom keek op, en op eene bergspits tegenover hen zat eene Hulder met een schreiend kind; de moeder zong ’t allerlei liedjes voor en trachtte het zoo goed mogelijk tot bedaren te brengen.

»Waarom zit gij daar?" vroeg mijn oom.

»Ach, mijn man is weg," antwoordde zij, »en nu meende ik niet beter te kunnen doen, dan hierheen te komen en mijne toevlucht tot u te nemen."

»Waar is uw man dan?" vroeg de ander.

»Hij is ten oorlog getrokken met de andere soldaten," antwoordde de Hulder.

Maar ’t kind begon al heftiger te schreien en kreet en schreeuwde en gilde, dat ’t onmogelijk was een oog toe te doen. Dat leek mijn oom al te gek, hij werd boos, stoof op, nam het eene stuk brandhout na het ander en slingerde het naar de Hulder met haar kind. Toen verdween ze, maar op alle toppen en hoogten hoorde men een akelig gegil en gelach, en eene stem weerklonk: »Dat was nu de hulp, die de menschen u schonken, Gyri Haugen!"

»Maar nu zal ik u wat vertellen, dat een’ mijner kennissen op Ringerike gebeurde," zei de Hadelander.

»Hij was molenaar te Vial en heette Peter Pauwelsen; later werd hij meesterknecht op den molen in Vasdraget Vaela, aan ’t eind van ’t Aadal.

Vaak zwierf hij rond in ’t gebergte om te visschen, en zoo bevond hij zich op zekeren avond bij ’t Buttenmeertje aan den voet van den Hofsæterberg tusschen ’t bosch van Marigaard en Bergermoen. Daar maakte hij zich eene legerstee, legde zich neder en sliep den ganschen nacht. Anderhalf jaar later was hij daar weer om