Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/53

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
39
EEN NACHT IN NORDMARKEN.

te visschen. 's Nachts kwam er een vrouwelijk wezen tot hem met een klein kind op den arm.

»Daar hebt ge uw kind, Peter," zeide zij.

»Mijn kind? Dat zou wat moois worden! Hoe zou ik aan dat kind komen?" vroeg Peter Pauwelsen.

»U heugt toch nog wel de vorige maal, toen ge hier waart, anderhalf jaar geleden?" zeide de Hulder.

Hij vertelde echter aan niemand iets hiervan, maar jaren daarna—hij placht 's zomers altijd in 't gebergte te visschen en altijd liep dezelfde Hulder hem na—verhaalde hij aan menigeen, dat hij eene dochter had onder de Huldren, die al zoo oud was als de kinderen, die hun' catechismus leeren. Mij heeft hij 't nooit verteld, schoon ik hem heel goed heb gekend; maar ik heb 't gehoord van iemand, wien hij 't zelf had gezegd. Eens was de Hulder weer bij hem gekomen en had hem gevraagd, of hij zijne dochter wilde zien. Toen had zij eene deur in den berg geopend, en daar binnen was alles van zilver, wat men zag. Ja, nu en dan nam Peter Pauwelsen anderen met zich naar 't gebergte en dan zagen zij de beide Huldren aan den overkant van 't Buttenmeertje bezig met visschen. En in dit meer ving Peter ook de meeste visch, terwijl niemand anders er zoo gelukkig was. Maar eens, terwijl hij zich daar weer bevond, hoorde hij eene stem: »Gij kunt wel naar huis gaan, Peter; wij hebben zelf de visch noodig, want er is gebrek in den berg." Op zekeren dag ging een man, Halvor van Marigaard, met hem mede. Peter had hem beloofd, dat hij de Hulder zou zien. Toen Halvor haar echter met hare kudde hoorde naderen, werd hij zoo bevreesd, dat hij hard wilde wegloopen. Maar Peter verzocht hem te blijven en zich stil te houden; dan zou hem niets deren. En toen zagen zij ook werkelijk hoe de