Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
40
EEN NACHT IN NORDMARKEN.

Hulder haar vee voor zich uitdreef. Zij zagen ’t duidelijk, alle twee!

Elias luisterde niet meer naar die verhalen; hij sliep als eene roos op de harde rots en snorkte, dat het door ’t bosch weerklonk.

»Hij slaapt al," zei de Hadelander; »maar nu zal ik u eene historie vertellen, die me al heel wonderbaar lijkt. We kunnen intusschen wel wat gemakkelijker gaan liggen, anders zijn we tegen den morgen heelemaal verstijfd.

»Er was eens een boer, die in Thelemarken woonde, waar mijn vader vandaan kwam en eene groote hoeve bezat. Maar die man was heel ongelukkig met zijn vee, telkens verloor hij beesten aan allerlei ziekten en kwalen en eindelijk moest hij huis en hof verkoopen. Slechts weinig hield hij over, en daarvoor kocht hij eene kleine plaats, in een afgelegen oord, ver van de stad, bij dichte bosschen en woestenijen. Op zekeren dag toen hij zijn erf rondging, ontmoette hij een’ man.

»Goeden dag, buur," zei de man.

»Goeden dag," zeide de boer, »zijt gij mijn gebuur? Ik meende, dat ik hier alleen woonde."

»Daar ginds ziet ge mijne hoeve," zeide de man, »die is niet zoo ver van de uwe." En zie, daar lag ook werkelijk eene hoeve, die hij nooit te voren had opgemerkt, groot en fraai en nieuw gebouwd. Toen begreep onze man, dat hij met een’ aardgeest te doen had, maar ’t vervaardde hem niet, hij verzocht den buurman binnen te komen en eene kroes bier met hem te drinken, en deze liet zich ’t brouwsel wel smaken.

»Hoor eens," sprak de buurman, »in één ding moest gij mijn’ zin doen."

»Laat mij eerst hooren, wat gij wenscht," zei de boer.