Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/60

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
46
DE KONING VAN DEN EGEBERG.

als je in 't kinderbed ligt," zei ze schertsend tot de padde, en—oogenblikkelijk kroop 't dier heen, zoo spoedig 't maar kon.

Eenigen tijd later, toen de oude vrouw 's avonds uit de stad was gekomen en bij den haard zat te spinnen, kwam er een vreemde man binnen.

»Hoor eens," zei hij, »mijne vrouw is zwanger en 't zal gauw haar tijd zijn. Wilt gij haar helpen, zoo als ge beloofd hebt, dan zal 't u niet berouwen."

»De hemel beware me," zei de best, »dat kan ik niet; ik weet er niets van."

»Ja, ge kunt het wel; want gij hebt 't haar beloofd," zei de man.

De best kon zich maar niet herinneren, dat zij aan iemand ter wereld beloofd had, vroêmoer te zijn; dat verzekerde zij hem, maar de man hernam:

»Beloofd hebt gij 't, want de padde, die voor u op den weg zat, toen ge om water uitwaart, was mijne vrouw. Wilt ge haar helpen," vervolgde de man, die zij nu begreep, dat niemand anders was dan de koning van den Egeberg, »dan zal 't u niet rouwen; ik zal u goed betalen, maar gij moogt het geld, dat ik u geef, niet verkwisten; aan niemand moogt gij 't wegschenken, wie er u ook om vraagt, en gij moogt er in 't geheel niet van spreken; geen woord moogt gij er u van laten ontvallen, tegen wien ook."

»Neen, drommels!" zei ze, »zwijgen kan ik zoo goed als de beste; bericht mij maar wanneer ik moet komen, en ik zal haar helpen zoo goed ik kan."

Daar verliep eenige tijd, totdat de man op zekeren nacht de best vroeg hem te volgen. Zij stond op en maakte zich gereed; hij liep voor haar uit, en eer zij recht wist, waar ze was of waarheen ze ging, was zij