Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/61

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
47
DE KONING VAN DEN EGEBERG.

binnen in den berg, waar de koningin in barensnood lag. Het vertrek zag er zeer voornaam uit, 't leek wel de groote zaal van een kasteel, en nooit in haar leven had de oude zooveel pracht gezien.

Maar toen zij goed en wel binnen waren, zette de man zich op een' stoel en kneep de handen samen over de knieën, en wanneer een man zoo gaat zitten, kan eene vrouw onmogelijk verlost worden; dat wist de oude zeer goed. Daarom beproefden zoowel zij als de koningin hem tot opstaan te bewegen; telkens verzochten zij hem, nu dit, dan dat te gaan halen; maar waar hij zat, daar zat hij en verroerde zich niet. Eindelijk kreeg de vroêmoer een' inval.

»Ze is gelukkig verlost," zei ze op eens tot den koning. »Hoe is dat mogelijk?" borst deze uit en sprong vol verbazing op. Op 't zelfde oogenblik legde de christenvrouw de hand op de koningin, en dadelijk was zij verlost.

Terwijl de man naar buiten ging om waschwater voor 't wicht te halen, zei de kraamvrouw tot de best:

»Mijn gemaal is u nu zeer erkentelijk, maar, wanneer gij heengaat, zal hij u trachten te dooden, want hij kan zijn aard niet verloochenen; trek daarom snel de deur achter u toe, als gij vertrekt; dan mislukt zijn plan."

Nadat het kind was gewasschen en gekleed, zond de koningin de oude naar de keuken om eene kruik met zalf te halen, ten einde het de ooren te smeren. Maar van zulk eene keuken en van zulk keukengeraad had zij nog nooit de wedergade gezien! Langs den wand hingen in rekken de prachtigste schotels en borden, en aan den zolder hingen pannen, ketels en potten, alles van louter zilver en zoo blank, dat de wanden er van schitterden.