Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/63

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
49
DE KONING VAN DEN EGEBERG.

goed, dat ze er weldra warmpjes in zat. Maar eens geviel het, dat eene heel arme vrouw haar heur’ nood klaagde.

»Och wat!" zei ze, dat heeft zoo veel niet te beteekenen; als ik maar wilde, dan kostte ’t mij volstrekt geen moeite u te helpen; want die wat doet, die wat wint; dien ik geholpen heb, helpt mij ook weer." Maar sinds dien dag vond zij geen’ enkelen schelling meer voor hare deur en ’t geld, dat zij bezat, was als weggeblazen. Op nieuw moest zij nu den korf op den rug nemen en naar de stad loopen in zonneschijn en regen.

Niet altijd intusschen ging de koning van den Egeberg uit ter wille van zijne vrouw; soms had hij eigen zaken te verrichten. Dan liep hij de meisjes uit de stad na, wanneer zij op zon- en feestdagen in de kloven en op de velden van den berg zich vermaakten of ’t bosch ingingen om bessen te zoeken. Meestal zag hij er uit als een onoogelijk verschrompeld mannetje met roode oogen, maar als hij fortuin wilde maken, nam hij de gedaante aan van Bernt Ankers en vertoonde zich als een knap bejaard man met eene ster op de borst. Dat was intusschen niets dan gezichtsbedrog; hij was en bleef de oude, leelijke, roodoogige toovenaar, en dit bleek ook wel uit zijn kroost: hij kreeg nooit anders dan de mismaaktste kinderen, echte sehreeuwleelijkerds met groote hoofden en roode oogen, die de ouders zoo spoedig mogelijk zochten kwijt te raken en die dan door de berggeesten, de gehoorzame dienaren en onderzaten van dit waardige koninklijke paar, te vondeling werden gelegd.

Te dien tijde stonden namelijk de geesten van den Egeberg in den kwaden roep, dat zij welgemaakte, mooie menschenkinderen stalen van de bewoners van Grönland, Enerhaug en voornamelijk van Gamleby, en