Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/64

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
50
DE KONING VAN DEN EGEBERG.

dan wisselwichten daarvoor in de plaats legden, en die kinderroof en kinderruil ging zoover, dat ze geen hulp genoeg hadden ze alle op te kweeken; daarom stalen zij ook kindermeiden en vaak hielden ze die altijd bij zich. Maar eens hadden zij een meisje van Gamleby weggevoerd, dat gelukkiger was dan hare zusters. Een jaar lang was zij in den berg geweest en had al dien tijd een lief menschenkind verzorgd, toen zij wist te ontsnappen. Of men de klokken voor haar had geluid, of ze hare schoenen verkeerdom had neergezet; of ze zich had verpraat of eene naald in haar hemd gevonden, dat herinner ik me niet meer; genoeg, zij liep weg en sinds vertelde zij aan Jan en alleman, hoe fraai en ruim 't in den Egeberg was, hoeveel knappe lui daar woonden, hoe ze hun best hadden gedaan haar daar te houden, en welk een' lieven jongen zij had opgepast.

Elken morgen, hadden de berggeesten gelast, moest zij de oogen van 't kind bestrijken met eene zalf, waarvan eene kruik vol in de keuken hing; maar, hadden zij er bijgevoegd, zij moest zich wel wachten de zalf te dicht bij hare eigen oogen te brengen. Zij begreep echter volstrekt niet, waartoe dit moest dienen, want 't kind bezat de mooiste oogen, die men ooit had gezien, en eens, toen de meesteres niet in de keuken was, had zij daarom wat van de zalf over haar rechter oog gesmeerd.

Een halfjaar nadat zij den berg had verlaten, moest dit meisje een of ander koopen in den winkel van Bjerkenbusch op den hoek van de hoofdstraat en de markt. En zie—daar stond het oude wijf uit den berg, bij wie ze kindermeid was geweest, bij de toonbank en stal rijst uit eene lade, zonder dat iemand haar scheen op te merken.