Pagina:Noorsche Volksvertellingen.djvu/80

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
66
DE VERTELLINGEN VAN DEN DOODGRAVER.

nen onderscheiden. Daar zat een jong meisje met een klein kind op den arm.

»Kun-je mij ook zeggen, waar ik Peter, den doodgraver, kan vinden?" vroeg ik nu aan haar.

»Hij is niet te huis," kreeg ik ten antwoord.

»Weet-je niet waar hij is?"

»Misschien wel op Styri bij tante."

»Waar ligt Styri?"

»Aan den oostkant."

»Is ’t ver weg?" vroeg ik weer.

»Dat weet ik niet."

»Is er niemand anders te huis?"

»Neen, zij zijn te bruiloft."

»Hiernaast?"

»Ik weet het niet."

Hier kreeg ik intusschen de noodige opheldering. Er zat inderdaad niet anders op dan naar Styri te gaan. In ’t voorhuis aldaar vond ik werkelijk de tante, waar van men mij had gesproken, in de gedaante van eene lange, bejaarde vrouw, met de grijze haren weggestreken onder de zwarte muts. Ze kwam me vriendelijk te gemoet en zeide: »Wees zoo goed binnen te komen."

Deze ontvangst deed mijne ergernis over de eerste heel wat afnemen; ik vroeg, of Peter, de doodgraver, hier ook was.

»Moet hij misschien een graf maken voor iemand?" vroeg tante.

»Neen, dat niet; maar ik heb gehoord, dat hij zoo veel oude sprookjes en vertellingen kent, en daarvan zou ik graag wat hooren," zei ik.

»Ja, zoo!—Ja, als oude Andries, Peter zijn vader, hier was, ja—dat was eerst een baas in ’t vertellen! Als die begon, kwam er geen einde aan."