Pagina:Pallieter.pdf/54

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


heur hand openhield voor de waterperels, deed Pallieter het speeltuig van den mond en zei tot haar:

‘Lot ma' oe' nij is fijn bezien!’

Hij lei zijn handen op haar ronde schouders en bezag haar van het hoofd tot de voeten. In haar roodkakig hoofd perelden twee groote bruine oogen met een vinnig zwart kinneken, haar appelroode lippekens stonden hoog onder den fijnvleugeligen neus, en in haar rechterwang was er een putteken als ze lachte. Haar kin stak verlangend vooruit, en de melkwitte hals was rond en malsch om erin te bijten. Hare jonge, nog rechtstaande borstjes begonnen hoog, en hare heupen waren rond. Ze had donkerbruin haar en poezelige handen. Och, wat was ze toch schoon! Over heel haar wezen lag de asem van den buiten en de jonge, blijde groeikracht der groote Natuur.

Ze stond daar, zoo natuurlijk als water en haar gezicht was lijk een open boek. 't Was melk en brood.

En de zon scheen rood dóór de schelpen van haar ooren en poederde kranslicht in heur haar. En Pallieter zei:

‘Ge komt niks te keurt as vleugeltjes.’

Ze lachte heur tanden bloot, en zag naar heur schoenen.

En Pallieter bleef haar bezien, en voelde een bol in zijn hert komen van verlangen.

Maar zij hief terug haar hoofd op en vroeg:

‘Spelt nog is e' lieke?’

En hij speelde opnieuw en ze gingen samen voort.

Maar daar schoot ineens de lucht vol groote