Pagina:Pallieter.pdf/70

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

67

kerken en schril treingefluit de lucht doorsneed. De zon kon op de boomen nog niet schijnen, maar van achter het onzichtbare bosch bolde alreeds een breede wind, die openingen draaide in den doom; en de boomen begonnen te klepperen.

Ommiste koeien loeiden naar malkander.

Pallieter dacht aan Marieken, die sedert dien Zondag in zijn gedachten zat en hij zei:

'O minne zuster, o minne bruid, ghi hebt mi geckwetst met eene van uw ooghen en met een hair van uwen halse!'

Hij dacht aan heur aangenaam gezicht en heur jonge vormen, en harder sloeg en djakte de zweep de opklarende lucht vaneen.

De zon klom; de dunne hemelwolken braken uiteen van 't licht, en blauwe diepten gaapten over de aarde.

De nevelen zakten, en vensters van de stad schoten vuur; de windwijzer van een hoeve schitterde, en daar bedekte de zonneschijn al wandelend het land.

Versch-omploegde velden slurpten met groot geschitter de klaarte op hun vettige schellen, dat ze werden als spartelende waters. Er kwam gekraak en gegons van kevers en van vliegen. Pallieter riep:

'Vader zon bevrucht Moeder aarde!'

En hij liep zoo maar rats tusschen de feldraaiende molenwieken door, den berg af in 't natbedauwde veld.

Hij drentelde al zweepkletsend langs wegelkes, hagen en waterkant, en zong het land bijeen.

De nevelen waren weg, en opnieuw openden zich de verten, rijk aan korenvelden en savooien.