Pagina:Pallieter.pdf/71

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

68

Pallieter verblijde zich om de blauwheid van de lucht en den kalmen reuk der aarde.

De hemel draaide rond de wereld vol bloemkoolenwolken, en in een hof balkte een ezel lijk een verroeste pomp.

De meimaand was een gouden hoorn van overvloed. Het Leven was er nu voor goed, de winter was vergeten, en de reusachtige zomer stond voor de deur.

Het werk was gedaan. De boomen lieten hun vruchten stoven, de vogelen legden geen eieren meer, en er was een schoone kalmte over de Natuur gekomen als bij een krijger na een heeten strijd.

Dat zijn de schoonste dagen voor de schapen, die met hun lammekens aan hun uiers loopen, voor de sprinkhanen en de jonge vischen.

En de Natuur wil voor niets of niemand iets van hare goedheid achterhouden en hare genietingen hangen zoo maar voor 't pakken in de lucht. Zij is eenvoudig als een kind en goed als eene moeder, en wat zij geeft gaat tot in het leven van de ziel. Dat is de àl-goedheid van de oude aarde, die zich telkens vernieuwt, en door de menschen niet begrepen wordt, daar zij elders zoeken.

Daarom zeiden de philosophen: 'Gaat tot de Natuur! Gaat tot de Natuur!' Maar zij zelven keerden hun gat naar de zon, en vermagerden lijk graten tusschen stapels boeken en dichtgesloten kamers.

'Fillesoof zijn is ni schrijve, mor is leve!' zei Pallieter, die met zijn voeten in de parij stond en 't perelend zonnespel aanschouwde.