Pagina:Pallieter.pdf/73

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

70

wind, en ook gevuld met allerhand gediert. Een bosch is als een zee!

Hij drong door 't dichte elzenhout, en stond ineens van witte zon in de koele weidschheid van het overdadig groen. De struiken en strunken van hazennoten, wilg, olm en eik en dorens nog daarbij, stonden er dicht lijk het haar op den hond. Overal klom de klimop een muur dik op de bemoste boomen en krinselde zich overvuldig met andere slingerplanten van den eenen struik naar den andere. Hij lag op den grond lijk tapijten. Er was niet dóór te geraken, maar Pallieter kroop door hollekens, sprong over strunken, klom op een schuingevallen boom, liet er zich weer afvallen, verdween onder een klimopgordijn, en zoo drong hij al dieper en dieper in het bosch, dat een berg van zomersch leven was.

Er klonk muziek van honderdduizend vogelen. 't Kwam als een regen uit de zuchtende takken gevallen, en in de lucht en op den grond gonsde het van vliegen en insecten.

Waar een plekske zon lag zaten de hagedissen als steenen beeldekens; broodkoleurige krekelschelpen plakten op de wildgewassen struiketwijgen en overal roerden rupsen, slakken, spinnekoppen, duizendpooters, motten, pieren, kikvorschen, padden, mollen in en op den grond, die rook van al dat leven. Visschen, dikkoppen en wormen in het trillende water van beken en moerasjes.

De bosschen zijn het hart der aarde! Overal was de weldadige reuk van mos en sappig hout. En