Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/15

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


zei hij verachtelijk; „daar moet ik binnen kort vader tegen zeggen. Hij weet weer, dat ons moeder versch bier in huis heeft. Daar steekt z'heur geld in. Hij is pas dertig en zij zestig; z' is zot, z' is echt, zot." Hij hoorde hem binnengaan en vet lachen, en hij hoorde zijn moeder lachen en bet tikken van kroezen. Pieter speekte naar de plaats, waar hij De Pad hoorde. lachen. Vol verachting teekende hij then vent of: een opgeblazen, purper gezicht met spleetoogen. Maar hij krabbelde hem rap terug uit, lijk iemand slechten drank wegspuwt. Maar zie, hij zag daar den blootevoetpater Cornelis, die gisteren aangekomen was om bet Drie-Koningenoctaaf to preeken. Hij zag hem van achter: een roos, kaal hoofd bove n de franciskanerpij. „Wacht,"' zei Pieter en meteen klauwde hij een klad sneeuw van 't strooien dak, kneedde 'nen bol, gooide. Knak! Roos! 't Was lijk een ei dat kapot kletste. Pieter zich rap gebukt en aan 't lachen lijk;k een waterval. Stillekens stak hij zijn kop sluw omhoog: maar mots! "ne sneeuwbal knalde open op zijnen neus, en beneden stond de pater to lachen., „He!" gichelde hij, „ik kan dat zoo goed als gij, he ventje ? En dezen keer u wat beter weg steken!" Pieter krabde beteuterd de sneeuw van zijn gezicht. „Maar zie ik nu niet scheel," riep de pater, „hebt gij dezen morgen mijn mis niet gediend?" „ja, Pater Cornelis, mijn hand was rapper dan mijn gedacht, 'k was aan "t schilderen .... zie maar," en rood wordend van verlegenheid, liet hij bet papier zien, dat met twee nagels op een plank geslagen was. De pater kwam dichter bij, en zag omhoog naar 't lage zoldervenster. „Wel, dat is goed," zei hij, „van ver toont bet wijd!" Hij kwam nog dichter. „Wel, dat is goed, als ik bet fijn bezie! Ik ken er wel niet veel van, maar ik zeg, dat gij kunt teekenen . Amai dat is goed gedaan ! Debt gij dat alleen gedaan? Wel, dat is goed ! .... Maar' manneke, ge zoudt toch geene sneeuw moeten schilderen, neen, he? Dat heeft nog niemand gedaan, dat wordt niet gedaan." ,,Maar ik vind bet schoon, Pater, zie eens, hoe schoon!" „Neen, daar is geen kleur in sneeuw. Ge moet de groene aarde schilderen met heur bloemen en heur frissche tonen en tinten, zooals Memlinc en de Van Eycken, en Rogier van der Weyden, en Geertgen tot Sint- Jans bet deden, en Quinten Metsijs bet heeft gedaan. Die kunnen schilderen!