Pagina:Print Pieter Breughel, zoo heb ik u uit uwe werken geroken.pdf/55

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen


voorhand betalen. 't Brengt veel op, en als ze niet genezen voor wie ik ga bidden, da slaat hij mij met het ezelskaakbeen. Maar ik word veel verhoord. Als ik bid, vergeet ik alles, dan zie ik altijd Onze Lieve Vrouw." „Dat had..ik, geloof ik, in uw oogen gelezen," zei hij en nam medelijdend en eerbiedig heur hand. „Ge moogt daar niet blijven." Ze bezag hem verwonderd. Ze deed er de oogen van toe. „Wanneer gaat ge, terug naar ginder?" Meteen had hij spijt, dat hij zoo, fel gelogen had, want zie, och arme, hoe hevig ze alles geloofde Maar terwijl hij dit dacht, was hij al verder bezig. „Ik vertrek in de Lente. Dan gaan er weer schepen dien kant uit. In de Lente is het er zoo danig schoon. Overal rozen. En de gouden koepels van de honderd perelmoeren kerken zijn zoo gewarig aan het licht, dat ze allemaal aan 't gonzen gaan als er de zon over streelt.... En hij vertelde, vertelde een half uur lang, en zij luisterde vroom en vol geestdrift. Plots greep ze zijn ander hand en zei met iets van vuur in heur Woorden en vuur in heur oogen - en heur oogen deed ze nu niet toe-: „Ik zou altijd bij u willen blijven" „Ik ook ...." zuchtte hij. „Och, dat zou plezant zijjn!" zei ze zalig. „We zullen het plezant maken, Veronica...." ze lachten elkander gelukkig toe. Hij zat daar door een leugen, hand in hand met een meiske dat O.L.Vrouw zag en naar gebeden geurde; een die honinggele oogen had, die ze toe deed als ze sprak, en die met een ezelskaakbeen geslagen wierd, als ze geen mirakelen deed. Ze huiverde en heur dunne polsen kwamen vol kiekenvleesch. „Hebt ge kou?" vroeg hij. „Wil ik over uw handen asemen?" Heur oogen schoten vol en 'nen traan schoof over heur kaken. Hij dierf niet vragen waarom ze weende, maar hij naam het druppeltje met den wijsvinger weg. „Ik zal niet lang meer leven." Hij ging er van recht zitten. „Ge ziet er danig bleek uit." „Dat zit bij de Kraakbeens in 't bloed," vertelde ze gelaten. „Als ze zestien jaar worden drogen ze uit. Dat hebben ze van de moeder, die er niet van sterven kan. Vier kinderen zijn er al van dood. 'k Ben wet geen van hen, maar 'k heb die ziekte van de moeder mee ingezogen. Nu is 't mijn beurt. Sinds verleden Winter is 't bij mij ook bezig. In uw land zou ik wel genezen."