Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/117

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 105 )

het begin mijner reize, toen men mij hier zoo ijslijk door nutlooze vraagen verveelde. Vervolgends wandelde ik al verder voord naar Oosterwijk, zijnde een aanzienlijk Vlek, naar het welk een gedeelte der Majorij het Kwartier van Oosterwijk genoemd word. Hier at ik mijn middagmaal, ſliep 'er een weinig, om wat uit te rusten, en kwam met het ondergaan der Zon te Tilburg. – Onderweg, tusſchen Bokſtel en Oosterwijk wierd ik door eenen man achterhaald, met wien ik het volgend geſprek. hield:

Hij. Gij ſchijnt hier wel vreemd te zijn (ik vraagde hem naar den regten weg).

Ik. Ja! dit is zoo!

Hij. Wie zijt gij dan, en waar komt gij van daan?

Ik. Dit zeg ik noch aan u noch aan iemand anders.

Hij. Ik denk toch niet, dat gij een ſlechte mensch zijt, en dat gij het daaröm niet zeggen wilt.

Ik. Wat dit aanbelangt – Neen! maar ik vertrouw hier de menſchen niet.

Hij. De menſchen zijn hier heel goed, en doen niemand kwaad, of het moest een Geus zijn, als men die eens kan betrekken, daar is niets aan gelegen.

Ik. Zijn die dan ook geen menſchen, of beledigen zij iemand?

Hij. Neen dat niet! maar het zijn Ketters,

die
G5