Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/118

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 106 )

die geene Religie hebben, en die men daaröm niet behoeft te ontzien, want aan eenen Ketter is toch niets gelegen; zij zijn toch allemaal verdoemd.

Ik. Dit laatſte is wel ongelukkig voor hun. Maar moest men hen dan niet liever, wijl de Ketters na dit leven verdoemd zijn, beklaagen, en hun dit leven zoo aangenaam maaken als men kon, in plaats van hen te haaten. God zelf verdraagt de Geuzen, en Hij geeft hun zoo wel alles in dit leven, als aan de Roomſchen, Hij maakt dus geen onderſcheid, en waaröm zouden wij het dan doen? – Maar waaröm zijn zij verdoemd? –

Hij. Dit zegt onze Pastoor. – De Geuzen zijn geen Christen-menſchen; zij bidden onzen Lieven Heer, of onze Lieve Vrouw, of de Heiligen niet aan; zij zeggen dat onze Religie maar aaperij is (God vergeef mij de zonden); zij zijn nog erger dan de Duivel (God bewaar ons en alle Christen – menſchen voor hem), want die heeft nog ſchrik voor het teken van het H. Kruis, en wij kunnen 'er hem meê verjaagen, maar eenen Geus of Ketter niet.

Ik. Dan zijn zij veel verſtandiger dan de Duivel, en ook zoo bang niet, om dat zij 'er niets om geeven.

Hij. Ja! ja!! Ik wou maar, dat wij alle Geuzen hier kwijt waren, en dit wenſchen wij allemaal; men heeft ons dit wel wijs gemaakt, doch zij zijn nog niet weg; als de Franſchen maar Katholijk geweest waren, wij zouden ze dan wel

weg