Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/121

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 109 )

deezen liggen, om morgen hem verder te voltooiën, of zoodra ik tijd heb.

Vervolg. 

Hoe meer ik Tilburg beſchouw, hoe meer ik deszelfs Inwooners op den keper bezie (ik ben nu al eenige dagen hier geweest, en heb mij toegelegd, om ten deezen opzigte hunne denkwijze te doorgronden), hoe ſterker ik in het gevoelen verſterkt word, dat de eigenſchappen der Roomſchen zoo hier, als op andere plaatzen der Majorij, zijn: Domheid, dweepzucht, bijgeloof en onverdraagzaamheid. De haat der Roomſchen tegen de Proteſtanten is overäl geweldig ſterk, ſchoon de laatſten den eerſten, vooräl in deeze dagen, niet het minst ongelijk aandoen, zoo dat men den Roomſchen in de Majorij wel deeze ſchoone regels van den braaven Gellert (want al hun haat komt uit verſchil van Godsdienſtige gevoelens voord) mogt voorſtellen, als hij dus zegt: Gij! die den Christen ſmaad! enz. doch ik wilde dit dan op deeze wijze veränderd hebben:

"Gij, die den Geus verſmaad! weet gij iets in zijn leere,
't Geen met de reden ſtrijd, en God niet ſtrekt tot eere?
Verdient die leer uw' haat, verdient ze uw' ſchimp en ſpot?
Toon ons volmaakter heil en een' volmaakter God
Dan ons de Schrift doet zien: kom toon ons ſchooner pligten;
Meer aandrang, om ons ſteeds naar Gods bevel te rigten;
Meer deugd tot zelfbeſtier en nut van 't algemeen."

Men