Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/133

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 121 )

in de ganſche Majorij, waar ik geweest ben, nog bijna niemand gevonden, die goed zingt, de Majorijënaars ſchijnen hier voor niet berekend te weezen. In de Herbergen vrijt men dan ook, om te ſcheuren, doch dit gaat dikwerf met eenen dronken kop, en dus al vrij ſlordig, ik zal hier geen ander woord gebruiken, genoeg. – Gij begrijpt mij wel. – Men ſchiet dan bij zulk eene gelegenheid ook naar eenen houten vogel of papegaai, op eenen hoogen ſtaak (men noemt dien hier eenen Schutsboom), en hij, die hem 'er afſchiet is Koning, en word, ten teken zijner waardigheid, met eene menigte zilveren Schilden of Plaaten, omhangen. Zijne Boeren-majeſteit moet dan, voor deeze eer, ook eene Plaat, met zijnen naam gegraveerd, 'er ten geſchenke aanhangen.

Bijna elke Roomſche, het zij Man of Vrouw, behoort onder een ſoort van Genootſchap, aan den eenen of anderen Heiligen toegewijd, en hij is hierdoor verpligt, om op eenen bepaalden dag, ééns in het jaar, een geheel uur lang, vooräl, als het geſchieden kan, in de Kerk te bidden ter eere van dien Heiligen, uur en dag is bepaald, en moet ook ſtipt worden waargenomen, gelijk ik gezien heb, uit een gedrukt blaadjen papier, waarin alles, wat hij doen moet, en alle de nuttigheid, die hier uit voordvloeit, word opgegeeven; in zulk een blaadjen word den naam van den perſoon ingevuld, en het word, ten teken van echtheid door den Priester ondertekend. Dit is iets, dat bijna aan niemand der Hervormden, die over

den
H5