Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/137

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 125 )

Eindelijk geef ik U hier nog eenige weinige oude woorden, die in de Majorij in gebruik zijn: gaderen, vergaderen: hoeven, behoeven: goor, moerasſig: ſchoer, regenbui: door, gek: weet, kennis, weetenſchap: wareit, waarheid: licht, misſchien: inſteeker, oorblaazer: doe, toen: deder, deed 'er: broed, broedſel. Denklijk worden in deeze ſtreeken nog veele andere oude woorden gebruikt, welken mij of ontdacht zijn, of die ik niet heb opgemerkt.

Hier hebt Gij nu, Lieve Vriend! mijnen laatſten brief. Ik heb gedeeltelijk mijne reize met genoegen, doch nog meer met verdriet volbragt. Ik beklaag in mijn hart de Proteſanten, vooräl hunne Leeräars, die zich hier bevinden. Ik betreur met een bloedend hart het bijgeloof, den haat, de dweepzucht, de onkunde der Majorijënaars, en wensch niets vuuriger, dan dat eens de waare verlichting hen alle mooge beſtraalen, dat liefde en verdraagzaamheid hen mooge bezielen. – – Ik heb U alles naar waarheid, doch zoo onpartijdig opgegeeven, als mij mooglijk was, en nogthands zult Gij in mijne brieven zaaken hebben aangetroffen, welke elken anderen lezer als ſcherp, als partijzuchtig zouden toeſchijnen, doch Gij kent mijn hart; Gij weet, hoe zeer het voor alle partijzucht gruwt, doch dat ik tevens, als Vriend der waarheid, geene ſlechtigheden voor U konde noch wilde verbergen. Hoe gaarne zoude ik U een gunſtig tafereel aangaande de Majorijënaars ontworpen hebben, doch

de