Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/148

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 136 )

opgewonden worden, wijl men aan dezelve ontmenschtheden toeſchrijft, waarvoor zelf een Nero zou gegruwd hebben; even hierdoor is het ook, dat een Roomſche geene pijnigingen, geene vervolgingen voor eenen Geus te wreed acht, om naamlijk aan hem betaald te zetten, wat zijne vooröuders (zoo als men zeker gelooft) aan de waare Katholijken gedaan hebben. Men mag dus wel van hunnen ingekankerden haat zeggen met Jeremias de Decker, als hij van Rome's ouden ijver zingt:

"Waar vind men zoo onmenſchelijke ſtukken,
Zoo woest en onbeſcheid,
Daar bijgeloovigheid
Des menſchen hart niet toe en kan verrukken?"

Of men zou deezen laatſten regel wel op deeze wijze moogen leezen, als men den vervolgzieken haat der Roomſche Majorij-bewooners in aanmerking neemt:

"De Roomſchen in dat Land niet toe weet te verrukken."

Men ſpreekt hier thands ook ſterk over de Vaarten, die 'er door de Majorij zullen gemaakt worden, doch men voegt 'er tevens bij, dat 'er geen één Landmeeter is in die Landſtreek, welke genoegzaame kunde bezit, vooräl om behoorlijk te waterpasſen, en dus om aantetoonen, waar langs men de Rivieren, die tot Vaarten zouden gemaakt worden, het best, het kortst en het min kost-

baarst