Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/149

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 137 )

baarstbaarst zou kunnen verleggen. – Veelen zien 'er niet veel nut in voor het algemeen, ſchoon anderen 'er hoog van opgeeven. Nog eene derde ſoort redent 'er op dusdaanige wijze over: "Vaarten zijn goed in een Land, waar vlijt, naarstigheid en lust tot verbeteringen woonen, en waar men gaarne oude vooröordeelen vaarwel zegt, om iets beters aanteneemen, doch dit – heeft dit in de Majorij wel plaats. Onze Vaders, Grootvaders. Over-grootvaders en Over-over-grootvaders hebben den kost gehad zonder de Vaarten, waartoe hebben wij dezelve dan noodig? – Als men Vaarten delft, of de Rivieren eenen anderen loop doet neemen, zullen veele bijzondere perſoonen 'er door lijden, welker landerijën 'er door verërgerd, of ook wel geheel zullen weggegraaven worden. – Mag men algemeen nut doen, zonder hetwelk onze vooröuders beſtaan hebben, als 'er bijzondere perſoonen door lijden of door arm worden?" – – Op deeze wijze denkt men 'er over, doch het ſlaat niet aan mij, om deeze redeneeringen der Majorijënaars te beöordeelen, maar mij dunkt, dat wel ingerigte Vaarten, die niet een bijzonder gedeelte, maar een geheel diſtrict doorſnijden, altijd veel voordeel kunnen geeven, mits dat het Volk van zulk een Land voor verbetering vatbaar is en dezelve gaarne wil gebruiken, maar – hoc opus, hic labor!

Morgen nadenmiddag, zoo ik mij zóó wel bevind, als tegenwoordig, vertrek ik met den Post-