Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

( 4 )

U, gelijk ik U bij ons laatſte geſprek beloofde, van tijd tot tijd melden, het mooge zoo gering weezen als het wil, zeer veel gewigtigs zal ik 'er denklijk niet ontdekken. – Ik ben, gelijk altijd, uw oprechte Vriend

L. J. A. 




TWEEDE BRIEF.

 Beste Vriend!

Thands ben ik, na twee en een' halven dag reizens, in 's Hertogenbosch. Mijne reize is dus niet voorſpoedig geweest; en dit kon niet anders, want wij hadden het tegen den wind en den ſtroom. Nu ik mij wat ververscht heb, wil ik deezen avond doorbrengen, met aan U te ſchrijven. – Mijn gezelſchap op het Schip was deels goed en gedeeltelijk verveelend. – Een taamlijk bejaard man, die mij wel beviel, trok door zijne gezegdens mijne aandacht het meest tot zich, hij ſprak weinig, doch verſtandig. Eenige jonge Heeren, of zoogenoemde Petit Maitres, zochten hem wat voor den zot te houden, doch zijne welgepaste antwoorden en aartige zetten, doch die raak waren, deeden hen ſchielijk begrijpen, dat hij de man niet was, aan wien zij hunne laffe en zoutelooze ſpotternijën zouden kunnen kwijt worden. – Ik kreeg, wijl mij hunne losſe en dikwerf vuile gezegdens

ſterk