Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/17

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

( 5 )

ſterk begonden te verveelen, mijnen Hoogduitſchen Ossian voor den dag, om door het leezen den tijd te verkorten en mij voor zelfsverveeling te behoeden. Eén dier lafbekken zeide daaröp tot mij: "Mijn Heer ſchijnt een Liefhebber van de lectuur te weezen – wat leest mijn Heer? – " Tot de andere twee in ſtilte, doch zoo hard, dat ik het duidlijk hoorde: "Het zal wel het een of ander vroom christlijk boek weezen," – hier glimplagchte hij met een ſoort van verächting. – Tot mij: "Wat boek is het? moogen wij het weleens zien?" – "ô Ja! het is – terwijl ik het hem overreikte – de beroemde Caledoniſche Bard, de voortreflijke Dichter Ossian!" – Dit zeide ik met eene ſoort van deftigheid, om hem eens te beproeven. – Hierop zeide hij tot de anderen, denklijk om aartig te willen weezen: ""Wie bl..... heeft ooit van eenen kaalen donderſchen baard, of van eenen Poëet Roffiaan gehoord" – ? – !! – Hij ſloeg den titel open – " ô ho! het is in die duivelſche moffentaal geſchreeven, die lees ik nooit, of ik wil verd.... weezen." – Vlugs ſmeet hij het boek met eenen verächtlijken blik op de tafel, terwijl de anderen in een luid geſchater uitbersteden. – Ik zweeg – mijn oude Reisgezel wierd moeilijk, en gaf zulks niet onduidelijk te verſtaan. – Hierop gingen die jonge luidjens, al zingende, naar boven, en lieten ons alleen in de roef. – Zoodra wij van dat lastig gezelſchap ontſlagen waren, begon mijn oude braave Heer ſpraakzaamer te worden: – "Is het niet beklaagenswaardig, als

men

A3