Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/18

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

( 6 )

men zulke jonge luiden ziet? zeide mijn Oude-Niets verſtandigs komt 'er van hun voor den dag; ik ken deeze knaapen, – zij zijn luidjes, die geld hebben; zij ſpreeken gebrekkig fransch, danzen redelijk wel, en weeten maar al te wel met het ſchoon Geſlacht te verkeeren; dit zijn hunne verdienſten. – Hunne kunde is gehaald uit het ſlechtſte ſoort van Romans. – Hoe ongelukkig zijn dezelve, als zij eens mannen, als zij vaders, als zij bejaard worden! – !! – En aan wien hebben zij hun bedorven hart, hunne denk- en levenswijze te danken? immers alleen aan hunne Ouderen. – Aan jonge luiden moeten Ouderen waare kunde, liefde voor het ſchoone en goede, en vooräl een deugdzaam hart inplanten, dan word 'er eerst aan den pligt der Ouderen voldaan." Ik ſprak vervolgends met hem over de Majorij, en zeide hem mijne voorgenomen reize, Hij vraagde mij, of ik ooit iets over de Majorij geleezen had, ik beäntwoorde zulks met neen, hierop hervatte hij, dat, om eenige kennis van de lotgevallen van die landſtreek te krijgen, ik moest leezen Oudenhoven, een Schrijver van het midden der voorige eeuw, bij wien ik zeer veel bijzonders zou aantreffen, en dan ook van Heurn; deeze beiden, zeide hij, waren de beste Geſchiedſchrijvers in dat vak. – Omtrent het Geögraphiſche vond men geen' bijzondere Schrijver. – Bachiene had in zijne Geographie der zeven Provincien, eene gebrekkige beſchrijving gegeeven van de Dorpen enz. in de Majorij, en deeze was ook overgenomen in de uitmuntende Aardrijksbeschrij-

ving