Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/36

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd
( 24 )

ik, bij het openen der poort, de Stad uit, en zoodra ik ergens aanland, waar ik mij eenige dagen denk optehouden, dan kunt Gij weêr eenen brief van mij verwachten. – Ik ben onveränderlijk geheel uw

Vriend. 





VIERDE BRIEF.

 Hoog Geächte Vriend!


Tegenwoordig ben ik te Eindhoven. – Eergisteren ging ik 's morgens, bij het openen der poort, uit den Bosch. – De morgenſtond was verrukkend ſchoon, en ik beloofde mij zelven eene aangenaame wandeling, doch ik was in het onzekere, naar welke ſtreek der Majorij ik mij het eerst zou begeeven. – Kom, zeide ik bij mij zelven – ik zal den zoogenoemden Steenweg, die zal mij toch wel ergens brengen, maar volgen. – – Een reiszak met eenig linnen; mijn Ossian; eene kleine Adverſaria, die ik meestentijds, als ik uitgaa, bij mij draag; een paar zakpistoolen ter lijfsbeveiliging, en ook eenig geld, dit ſpreekt van zelve, was mijne geheele vracht, veel kon ik niet mede neemen, omdat mijne reize voor het grootſte gedeelte te voet zal moeten geſchieden. – Ik beſchouwde mij zelven nu als een wezen, waarin niemand belang zou ſtellen, doch ook te-

vens