Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/39

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

( 27 )

gen maakte mij gemelijk, ik antwoorde niets, maar at om te ſcheuren, om maar ſchielijk van die Atheniënſers ontſlagen te zijn. – Ik ging, zoodra ik gegeeten had, naar Eindhoven; nu zag ik een weg voor mij van eene ontzaglijke lengte, en zoo regt als een bezemſtok. – Het eenzelvige van dit vergezigt verveelde mij geweldig. – Ik bevond mij dus in dezelfde verdrietlijkheid als Martinet, welke ook al klaagt, in zijnen Katechisnus, dat hem deeze weg altijd verveelde, als hij dien ging of reed; doch hoe lang mij deezen weg viel, zoo verveelde hij mij toch zoo veel niet, als de nieuwsgierige vraagen te Bokſtel. – Waaröm wilde men toch weeten, wie ik was? 'er lag toch geen voordeel, geen nut voor iemand der vraagenden in geleegen? en als ik al eens gezegd had: zóó is mijn naam! dan had men toch nog niets geweeten; doch zoo gaat het. Veelen zijn nieuwsgierig naar zaaken, die hun niet aangaan, vooräl zij, die weinig of niets te doen hebben. Het vraagen naar dingen, die geene betrekking altoos op ons hebben, of waardoor wij niet beter noch wijzer kunnen worden, is bij mij iets, dat ik met veröntwaardiging beſchouw. Een mensch, die veel vraagt naar dergelijke zaaken is of bedilzuchtig; of ſnäpachtig; of iemand, dien de tijd verveelt; of een Nihil-fecit, een doeniet. – Dan – laat mij wederkeeren tot mijne reize – ! – Onder weg bejegende mij nu en dan eene kar, een rijdtuig, een postwagen of een wandelaar, die even als ik zijnen weg op zijne Apostel-paarden vervolgde. – Zommigen gingen mij voorbij,

an-