Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/40

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is gecontroleerd

( 28 )

anderen haalde ik in, doch ik zag geene wezens onder hen, die mij belangrijk genoeg toeſcheenen, om mij met hun in een geſprek in te laaten. – Eindelijk achterhaalde ik eenen man, die 'er nog al taamlijk wel en openhartig uitzag, ik vraagde hem: hoe het toch wel in de Majorij gegaan was met de troupes in 1794? "Gij meent de Franſchen, zeide hij – Het ging nog al, hadden zij maar religie gehad, doch zij baden nooit of maakten nooit een heilig kruis. Zij waren allemaal Volontairen (hij meende Voltairiſten) want zij waren veel meer Geus dan Katholijk, en de Ketters of Geuzen hebben net zulk eene religie als Volontair (Voltaire), dit heb ik van onzen Pastoor, en die is een geleerd mensch, gehoord." – ô Welk eene domheid! welk een bijgeloovige menſchenhaat!! – Een Hervormde en een Voltairist hetzelfde?! is dit mooglijk?? doch – kunnen blinde leidslieden eenen blinden wel menschlievendheid, omtrent anders denkende verëerers van den God der Liefde, inboezemen? – ik beklaagde in mijn hart dien man, en ging ſchielijk van hem heenen. Mijne gelaatkennis had mij misleid, en zij zou zelf in deezen man den grooten Lavater bedroogen hebben, want:

De veêren doen ons ligt der voog'len ſoort gewennen,
Waarïn natuur ſlechts praalt: maar menſchen wel te kennen,
Vereischt veel grooter' vlijt, ervaaring, kunde en geest;
Want domheid, bijgeloof, niet de aangebooren leest,
Verand'ren vaak de ziel – –

Ik