Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/56

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 44 )

men had dit met meer eerbied moeten verrichten, immers alle Volken eerbiedigen de asch der overleedenen, doch hier wierden dezelve aan eenen afgelegenen hoek, afgeſcheiden van andere lijken, (trouwens! die zouden 'er ook door ontheiligd zijn geworden) als beesten bij elkanderen hol over bol in eenen kuil geſmeeten. – Ik ſtem gaarne toe, dat eene plaats, alléén geſchikt ter verëering van het Opperweezen, niet met lijken der dooden of met hunne vermolmde beeneren moest bezoedeld worden; het ſtrijd, dunkt mij, tegen de gezonde reden, om eene plaats, aan den eerdienst van een heilig en rein Wezen toegewijd, te vervullen met den ſtank van verrottende lijken, welke voor de gezondheid der levenden, die denzelven onder de verëering van den Almagtigen inädemen, zeer nadeelig is. Wanneer zullen onze Landgenooten deeze gewoonte, die haaren oorſprong alleen aan het bijgeloof verſchuldigd is, eens afſchaffen. – Met eerbied herinner ik mij hier aan onzen weldenkenden Perrenot, die op zijnen toekomenden zerk op het open Kerkhof in de duinen bij Scheveningen, deeze versſen liet houwen:

Cruviae jaccänt putres procul arbe; nocebam
Qui nemini prudens, noceäm ne morsuus, opto.

Doch dit was hier het geval niet, maar Ketters mogten in eene gewijde aarde niet rusten. – Nog erger heeft men gehandeld te Oerle, – Aldaar heeft men de lijken van de vrouw en dochter

van