Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/57

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 45 )

van den Predikant, die nog maar weinige weeken overleeden, en dus in het drooge zand niet half verteerd waren, en ook andere dooden NB. der Gereformeerden uit de graven gerukt; men ſmeet het lijk der Predikantsvrouw op den Kerkhof, trapte het met eene voorbeeldelooze wreedäartigheid met voeten op de borst, dit alles geſchiede, zegt men, in bijweezen van den Roomſchen Priester, die dit alles, met eenen zakdoek' voor den neus en mond, wegens den ſtank, aanſchouwde; hij had tevens eene flesch met jenever bij zich waaröp hij de uitvoerers van deeze ijslijke ontäartheid, onthaalde. – Van de planken der kist maakte men een verkenshok, dit alles hebben de nieuwspapieren ons ook wijdloopig opgegeeven. – Dan – laat mij een digt gordijn ſchuiven voor deeze ontmenschte tooneelen, waarvoor zeker uw hart en dat van ieder menſchenvriend gruwt, en u iets grappigers verhaalen. – Te Zeelst, een klein Dorpjen, wilde de helft der Roomſchen de Kerk der Gereformeerden hebben, het ging zoo het wilde, de andere verkoos haare Kerk, als voor haar beter gelegen, te houden, doch de eerſte nam de Kerk der Hervormden ook daadlijk in, maar nu hadden zij niets, om die Kerk te verſieren; zij gingen derhalven naar de Roomſche Kerk, haalden 'er de helft der beelden, enz. uit, en pronkten daar mede hunne nieuwe Kerk op: daarop heeft de andere deeze beeldenroovers aan het Hof van Juſtitie in 's Bosch aangeklaagd en beſchuldigd van Kerkroof. Hoe dit verder afgeloopen is, of afloopen zal,

heb