Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/58

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 46 )

heb ik niet kunnen te weeten komen, want de Roomſchen ſchaamen 'er zich over, en wenschten wel, dat dit nooit gebeurd ware; en ik geloof niet, dat 'er ooit een dergelijke twist als deeze, tusſchen belijders van denzelfden Godsdienst, en tusſchen voorſtanders van den beeldendienst over beelden is voorgevallen. Het ware verſtandiger geweest, en het zou meer tot eer der veröngelijkte partij geſtrekt hebben, als zij gedacht had aan het antwoord, dat Joäs gaf, toen zijn zoon Gideon den altaar des Baäls had omgeworpen: Zult gij voor den Baäl twisten – indien hij een God is, hij twiste voor zich zelven! – Doch het is waar, de leeken moogen den Bijbel niet leezen, maar hun Priester (de Priesters hebben hier over het algemeen zeer veel, zelfs al te veel, invloed op hunne gemeentens) had hen beter moeten onderrigten; zij hadden de beelden zich zelven moeten laaten verdeedigen. – Welke ſchoone les ligt in dit geval voor eenen Roomschgezinden: de beelden hebben beſcherming noodig van menſchen, zij kunnen hunne eigene eer niet wreeken, en evenwel bid men hun aan, want dat de Roomſchen in de Majorij den beelden aanbidden, en geenzints de zoogenoemde Heiligen, die 'er door verbeeld worden, dit kan niemand ontkennen. – Kunnen nu de beelden zich zelven niet redden, kunnen zij zich niet ont{{ls}laan van het geweld, hun aangedaan, hoe zullen zij dan anderen helpen? ô hoe ſchoon ſtrookt dit met elkanderen; het nietig ſchepſel moet zijne goden (wat zijn beelden anders onder de Roomſchen) beveiligen, en het beeld

be-