Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/79

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen

( 67 )

'er mede te ſpeelen, doch van tijd tot tijd groeiën 'er weêr nieuwen; wegens deeze wonderbaare vorming draagt die berg den naam van Potjens-berg. – Ik keerde van Zon over Nunen weder te rug naar Helmond, bezag nog eens de ruïne van de Kerk en tooren op het laatſte Dorp, en zag op het Kerkhof (dit heb ik nog nergens, zoo ver ik weet gezien) bij ieder graf een paal, waaröp de naam van den Overledenen en de tijd van zijn Overlijden geſneden is, en ſomtijds 'er bij: Bid voor de Ziel. – Sommige graven waren verſierd met drie groene kroonen, en op één graf zag ik een witten vierkanten doek liggen, waaröp aan de vier hoeken vier ſteenen lagen: "wat of dit toch betekent? dit moet ik toch weeten!" zeide ik bij mij zelven. – Den eerſten man, die mij niet ver van het Kerkhof ontmoetede, vraagde ik wat dit toch was. – "Dit betekent zeide hij, het graf van eene Kraamvrouw, en zulk eene vrouw word ook altijd door vrouwen gedraagen en begraaven; de vrouwen hebben dan ook altijd den voorrouw." – Gij moet weeten, dat in de Majorij zoo wel vrouwen als mannen het lijk ter begraaving verzellen. – Wat 'er geheimzinnigs of bijgeloovigs in dien vierkanten doek was, dit konde of wilde (Hij ſcheen zich te ſchaamen) hij mij niet zeggen. – De met kroonen verſierde graven waren van ongetrouwden. – De ongehuwde ſtaat is heiliger dan de gehuwde, dus moesten die dooden ook in uitmunteuder graven liggen, maar – Het huwelijk is bij de Roomſchen een Sacrament, en dus moet het