Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/88

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 76 )

de Natuurlijke Historie van ons Vaderland te vermeerderen, mogt men dit eens beproeven. – De taal der Majorijënaars is zeer lomp, en bijna op veele plaatzen (nergens treft men zoo veel verſchillende diälekten aan als in de Majorij) gelijk hier te Helmond onverſtaanbaar voor een' Hollander; ik geloof nogthands, dat het beſtudeeren derzelve ons nog veele oude woorden, die thands bijna geheel in onbruik geraakt zijn, zou leeren. Zie hier welken ik 'er heb opgezameld! al einskens, allengs: berg en dag, hoog en laag: ederikken, herkaauwen: dedi, deed hij: killen, koud zijn: flets, laf: luiken, ſluiten: gelooken, geſlooten: lelijk begaaden, vuil maaken: haer, hier: hemelen, ten hemel gaan of ſterven: ophemelen, opſieren: mer, men 'er: op en neer, heen en weder: uitſteeken, uitzonderen: vaaren, rijden: vries, vorst: herd, herder: hadder, had 'er: katijvig, ellendig. – Men vind hier ook eenige Hoogduitſche en verbasterde Franſche woorden, vooräl hebben de Majorijënaars ſedert 1795. meesterlijk op zijn Fransch leeren vloeken en ſchelden, ſchoon zij niet weeten, wat zij zeggen. – Het word tijd, dat ik uitſcheide met ſchrijven, want het is avond, de Zon is reeds onder en verwt de wester-kimmen met goud en purperglansſen. – ô Verruklijk gezigt! De vogeltjens zoeken hunne ſchuilplaatzen op, om den balzemenden ſlaap te genieten op de ſchommelende takken. De kikvorsch begint reeds te brikwrakken, hier en daar ſtemt hij reeds zijnen ſchorren klank, om alle zijne

mak-