Pagina:Reize door de majorij van 's Hertogenbosch.djvu/97

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen
( 85 )

noemt, de klei, hiertoe noodig, delft men hier uit den grond, en men vind 'er ook dat geele zand, dat zoo ſterk verwt; men gebruikt het, om de pannen, ſchoon ik geloof, dat het 'er weinig toe doet, rooder te maaken, want de kunst, om dezelve blaauw te maaken verſtaat men hier niet, ſchoon zij zeer bekend en gemaklijk is. – – De Kerk van Deurne is een groot en ſchoon gebouw, voorzien van eenen hoogen tooren, welke nog niet oud is, wijl hij voor eenige jaaren in het midden van den winter door den blikſem wierd aangeſtooken en afbrande, doch de Kerk ontkwam dit gevaar; deeze tooren is reeds meer dan eenmaal door den blikſem getroffen. – Aan de Oostzijde van dit Dorp, vlak aan het einde, liggen twee Kasteelen, het nieuwe en het oude, thands het groot en klein Kasteel genoemd. – Zij liggen ſchuins tegen elkanderen over, zijnde ſlechts door de ſtraat van elkanderen verwijderd; een klein riviertjen uit de Peel voordkomende ſtroomt 'er langs, en 'er dus niet tusſchen beiden door, gelijk zulks in de nieuwe Kaart van Verhees, welke ik voor weinige dagen eerst zag, zeer verkeerd word opgegeeven. Het klein Kasteel zou in oude tijden ſlechts de poort geweest zijn van een zeer groot gebouw, het geen bij hetzelve gelegen heeft, doch waarvan geene overblijfſelen meer te zien zijn.

Gaarne ſchreef ik U nog meer, doch ik durf niet langer wachten, Gij moet weeten, waar ik thands ben, anders wierd Gij zeker ongerust over mij, want de Postbode vertrekt zoo terſtond. –

Ver-
F3