Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/16

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



10 INLEIDING

Raphaël, Jordano, Mengs hunne onstervelijkheid te danken.(1)

Zoo medesleepend, intusschen, het grootsche en rijke der Romeinsche geschiedenis voor den algemeenen Lezer is, wiens goede smaak eens met derzelver schoonheden is bekend geworden, zoo aantrekkelijk wordt zij voor den oplettenden beoefenaar van allerleie kunsten en wetenschappen, door haare overgroote belangrijkheid in alle vakken van geleerdheid, zoo wel van die, welke zich, als enkel bespiegelende, binnen de stille muuren der eenzaame studeerkamer laten opsluiten, als van die waarlijk nutte kundigheden, waarmede de Wijsgeer voor de waereld in het werkdaadige burgerlijke leven den gewigtigsten dienst moet doen.

Hoe overtuigder men thands van het nut der geschiedkunde is, te leevendiger beseft men ook, dat ’er eene, meer dan oppervlakkige, kennis van dezelve noodig is, om niet slechts, even als door elk ander verdicht of waar verhaal, vermaakt, maar wezenlijk geleerd en onderwezen te worden. Het is niet

(1) R. Van Eijnden's prijsverh. in de stukken van Teyler's tweede genootsch. D. V. bl 42 en verv.