Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/290

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



238ROMEINSCHE

I.
BOEK
IV.
HOOFDST.
ren de Fideners van de Romeinen afgevallen, en hadden zich wel niet openlijk voor vijanden verklaard, doch niet te min, door menigvuldige strooperijen, de landerijen der Romeinen ontrust. Terstond na het eindigen van den oorlog trok Ancus met een spoedig bijeengebragt leger tegen Fidenae, en sloeg hetzelve voor de muuren der stad neder. De verraadersche vijanden, zich onverwacht overvallen ziende van eenen Vorst, wiens dweepzucht zij dachten, dat hem nimmer eenige plegtigheid in de oorlogsaankondiging zoude hebben doen verzuimen, zogten tijd te winnen, om zich te herstellen. Als onkundig van de reden dezer krijgszuchtige beweging, vernamen zij naar dezelve, veinsden zij niets van den aangedaanen overlast te weten, en verzochten zij eenige dagen, om daar naar te onderzoeken, en, in geval van ongelijk, eene behoorlijke voldoening te geven. Men gunde hun den tijd; dan daar Ancus gewaar werd, dat zij zich van denzelven niet bedienden, om op eenige voldoening te denken, maar veel eer, om zich in aller ijl te wapenen, en