Pagina:RomeinscheGeschiedenissen1.pdf/295

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Deze pagina is proefgelezen



243GESCHIEDENISSEN.

I.
BOEK
IV.
HOOFDST.
lijk voordeel gebruik maakende, leide Ancus deze rivier tot eene uitmuntende zeehaven aan; en bouwde daar bij de stad Ostia; tot eene sterkte, om den handel voor zijn rijk te beschermen.(1)


Aanleg van
zoutput-
ten.
Niet verre van die stad liet hij verscheidene zoutputten graven, en de uitdeeling van zesduizend maaten zout, welke hij aan zijne onderdaanen deed, was de eerste dier openlijke weldaadigheden, waaruit naderhand duizenden van minvermogende burgers hun bestaan vonden.(2)

Verster-
king van
den berg
Janiculus.
Tegen over Rome, aan de overzijde van den Tiber, lag een vrij hooge berg, Janiculus genoemd. Het voordeel, welk de veiligheid van stad en handel daarvan trekken kon, ontglipte het opmerkzaam oog des Konings niet. Dezen berg maakte hij tot eene soort van burg voor Rome; en legde op denzelven eene sterke krijgsbezetting, om de Etruiërs in bedwang te houden, die den zeehandel ontrusteden, en zich van deze sterkte met vrucht tegen Rome bediend zouden hebben. Om

(1) Dion. hal. L. III. p. 182, 183.
(2) Liv. L. I. c. 33. Plin. L. XXXI. c. 7.